Menu
    English

    Professionalisering

    De cao-hbo kent ruime voorzieningen om medewerkers van hogescholen te faciliteren in hun professionalisering. Volgens O-1 lid 2 van de cao dient Hogeschool Rotterdam minimaal 6% van het getotaliseerde jaarinkomen te besteden aan professionalisering.

    De helft daarvan wordt besteed aan een basisrecht in uren, de andere 3% aan de out-of-pocket-kosten. Hogeschool Rotterdam investeert meer in haar personeel door het toebedelen van extra professionaliseringsuren bovenop de 3% basisrecht in uren. Te weten 2% voor niet-onderwijsgevend personeel en 7% voor onderwijsgevend personeel. Dit beleid is vastgelegd in een meerjarig professionaliseringsplan 2014-2017.

    Out-of-pocketkosten

    De out-of-pocketkosten bedroegen in 2017 €3.864.981. Hiermee kwam het bedrag van de out-of-pocketkosten op 2,4% van het getotaliseerd jaarinkomen. Het getotaliseerd jaarinkomen was in 2017 € 161.013.182. Daarmee wordt niet voldaan aan de 3% norm voor professionalisering. De hogeschool zal daarom de komende jaren extra aandacht besteden aan professionalisering vanuit de Strategische Agenda en de daarin ontwikkelde werkplaatsen. Daarnaast worden niet alle gemaakte kosten voldoende geadministreerd onder de out of pocket kosten (o.a. vervangingskosten). Dit verdient aandacht in onze communicatie/informatievoorziening.

    De volgende onderverdeling valt te maken voor de out-of-pocketkosten:

    • Onderwijsinstituten (incl. kenniscentra, expertisecentra) € 2.980.686.
    • Diensten (incl. fondsen, CMR en CvB) € 963.838.

    Opvallend is dat de gelden die binnen het onderwijs worden geïnvesteerd iets zijn afgenomen terwijl de investering bij de diensten juist is toegenomen. Dat kan verklaard worden vanuit de beweging binnen de dienstverlening van de afgelopen jaren. Daarbij is allereerst gezamenlijk aandacht uitgegaan naar het ontwikkelen van een nieuwe visie voor dienstverlening en nieuwe manieren van organiseren van het werk. Daarna is gezamenlijk gekeken naar strategische personeelsplanning en talentontwikkeling. Bijpassende professionalisering en extra investering zijn daar een gevolg van.

    Bij de onderwijsinstituten kan de daling verklaard worden doordat ook hier de afgelopen twee jaar met name geïnvesteerd is in visieontwikkeling (pedagogiek en didactiek), en aanpassing organisatie en werkvormen van teams. De investering gericht op bijpassende professionalisering zal de komende jaren zeker volgen. Dat is passend bij de ingezette ‘werkplaatsen’ vanuit de Strategische Agenda van de hogeschool waar professionalisering onderdeel van uitmaakt.

    Daarnaast wordt steeds vaker gebruik gemaakt van trainingen verzorgd door collega’s vanuit de hogeschool (ervaringsleren) die plaatsvinden met gesloten beurs. Dit komt voort uit de visie van de hogeschool waarbij steeds meer wordt ingezet op collectieve teamtrainingen die passend zijn bij de specifieke (onderwijs)visie van afzonderlijke opleidingen en afdelingen. De werkelijke uitgaven zijn dus hoger.

    Aan de andere kant verdient de investering op professionalisering zeker de aandacht. Zoals gezegd zal dit plaatsvinden binnen de werkplaatsen.

    Professionaliseringsuren

    Net als in voorgaande jaren wordt door de verschillende organisatieonderdelen van de hogeschool gerapporteerd aan desbetreffende medezeggenschapsraden over de professionaliseringsuren. In deze rapportages worden zowel het aantal individuele uren als het aantal collectieve uren geregistreerd. Net als in voorgaande jaren laten aanwezige rapportages zien dat de norm grotendeels wordt behaald. Er is echter aanleiding te vermoeden dat het aantal professionaliseringsuren in de praktijk hoger is, omdat de huidige vorm van registreren onvoldoende ruimte biedt aan nieuwe vormen van leren, maar ook doordat nog niet in alle organisatieonderdelen op juiste wijze wordt geregistreerd. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het zeer arbeidsintensieve karakter van de registratie.

    Professionaliseringsuren 2017

    Onderwijs

    122.895 uur

    Diensten

    38.273 uur